Conjugation of overvoeren
/ˈoː.vərˌvu.rə(n)/naar de andere zijde voeren; verplaatsen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overvoer |
| jij / je | overvoert |
| hij / zij / het | overvoert |
| wij / we | overvoeren |
| jullie | overvoeren |
| zij / ze | overvoeren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overvoerde |
| jij / je | overvoerde |
| hij / zij / het | overvoerde |
| wij / we | overvoerden |
| jullie | overvoerden |
| zij / ze | overvoerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overvoere |
| jij / je | overvoere |
| hij / zij / het | overvoere |
| wij / we | overvoeren |
| jullie | overvoeren |
| zij / ze | overvoeren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overvoerde |
| jij / je | overvoerde |
| hij / zij / het | overvoerde |
| wij / we | overvoerden |
| jullie | overvoerden |
| zij / ze | overvoerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overvoer |
| jullie (archaïsch) | overvoert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overvoeren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overvoerend |
Voltooid deelwoord
| — | overvoerd |