Conjugation of overtuigen
/ˌoː.vərˈtœy̯.ɣə(n)/een ander tuig opzetten, met name bij een zeilplank Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overtuig |
| jij / je | overtuigt |
| hij / zij / het | overtuigt |
| wij / we | overtuigen |
| jullie | overtuigen |
| zij / ze | overtuigen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overtuigde |
| jij / je | overtuigde |
| hij / zij / het | overtuigde |
| wij / we | overtuigden |
| jullie | overtuigden |
| zij / ze | overtuigden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overtuige |
| jij / je | overtuige |
| hij / zij / het | overtuige |
| wij / we | overtuigen |
| jullie | overtuigen |
| zij / ze | overtuigen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overtuigde |
| jij / je | overtuigde |
| hij / zij / het | overtuigde |
| wij / we | overtuigden |
| jullie | overtuigden |
| zij / ze | overtuigden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overtuig |
| jullie (archaïsch) | overtuigt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overtuigen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overtuigend |
Voltooid deelwoord
| — | overtuigd |