Conjugation of overtekenen
/ˈoːvərˌteː.kə.nə(n)/met behulp van half doorschijnend papier of projectie een afbeelding als tekening kopiëren, natekenen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overteken |
| jij / je | overtekent |
| hij / zij / het | overtekent |
| wij / we | overtekenen |
| jullie | overtekenen |
| zij / ze | overtekenen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overtekende |
| jij / je | overtekende |
| hij / zij / het | overtekende |
| wij / we | overtekenden |
| jullie | overtekenden |
| zij / ze | overtekenden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overtekene |
| jij / je | overtekene |
| hij / zij / het | overtekene |
| wij / we | overtekenen |
| jullie | overtekenen |
| zij / ze | overtekenen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overtekende |
| jij / je | overtekende |
| hij / zij / het | overtekende |
| wij / we | overtekenden |
| jullie | overtekenden |
| zij / ze | overtekenden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overteken |
| jullie (archaïsch) | overtekent |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overtekenen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overtekenend |
Voltooid deelwoord
| — | overtekend |