Conjugation of overstromen
/ˈoːvərˌstroːmə(n)/het onder water komen staan van een laaggelegen gebied. Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overstroom |
| jij / je | overstroomt |
| hij / zij / het | overstroomt |
| wij / we | overstromen |
| jullie | overstromen |
| zij / ze | overstromen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overstroomde |
| jij / je | overstroomde |
| hij / zij / het | overstroomde |
| wij / we | overstroomden |
| jullie | overstroomden |
| zij / ze | overstroomden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overstrome |
| jij / je | overstrome |
| hij / zij / het | overstrome |
| wij / we | overstromen |
| jullie | overstromen |
| zij / ze | overstromen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overstroomde |
| jij / je | overstroomde |
| hij / zij / het | overstroomde |
| wij / we | overstroomden |
| jullie | overstroomden |
| zij / ze | overstroomden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overstroom |
| jullie (archaïsch) | overstroomt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overstromen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overstromend |
Voltooid deelwoord
| — | overstroomd |