Conjugation of overstijgen
/ˌoː.vərˈstɛi̯.ɣə(n)/verder gaan dan een tevoren bepaalde grens Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overstijg |
| jij / je | overstijgt |
| hij / zij / het | overstijgt |
| wij / we | overstijgen |
| jullie | overstijgen |
| zij / ze | overstijgen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | oversteeg |
| jij / je | oversteeg |
| hij / zij / het | oversteeg |
| wij / we | overstegen |
| jullie | overstegen |
| zij / ze | overstegen |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overstijge |
| jij / je | overstijge |
| hij / zij / het | overstijge |
| wij / we | overstijgen |
| jullie | overstijgen |
| zij / ze | overstijgen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overstege |
| jij / je | overstege |
| hij / zij / het | overstege |
| wij / we | overstegen |
| jullie | overstegen |
| zij / ze | overstegen |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overstijg |
| jullie (archaïsch) | overstijgt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overstijgen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overstijgend |
Voltooid deelwoord
| — | overstegen |