Conjugation of oversnijden
/ˈoːvərˌsnɛi̯.də(n)/helemaal over een oppervlakte snijden Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | oversnij |
| jij / je | oversnijdt |
| hij / zij / het | oversnijdt |
| wij / we | oversnijden |
| jullie | oversnijden |
| zij / ze | oversnijden |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | oversneed |
| jij / je | oversneed |
| hij / zij / het | oversneed |
| wij / we | oversneden |
| jullie | oversneden |
| zij / ze | oversneden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | oversnijde |
| jij / je | oversnijde |
| hij / zij / het | oversnijde |
| wij / we | oversnijden |
| jullie | oversnijden |
| zij / ze | oversnijden |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | oversnede |
| jij / je | oversnede |
| hij / zij / het | oversnede |
| wij / we | oversneden |
| jullie | oversneden |
| zij / ze | oversneden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | oversnij |
| jullie (archaïsch) | oversnijdt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | oversnijden |
Tegenwoordig deelwoord
| — | oversnijdend |
Voltooid deelwoord
| — | oversneden |