Conjugation of overslapen
/ˌoː.vərˈslaː.pə(n)/voltooid deelwoord van overslapen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overslaap |
| jij / je | overslaapt |
| hij / zij / het | overslaapt |
| wij / we | overslapen |
| jullie | overslapen |
| zij / ze | overslapen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | oversliep |
| jij / je | oversliep |
| hij / zij / het | oversliep |
| wij / we | oversliepen |
| jullie | oversliepen |
| zij / ze | oversliepen |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overslape |
| jij / je | overslape |
| hij / zij / het | overslape |
| wij / we | overslapen |
| jullie | overslapen |
| zij / ze | overslapen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | oversliepe |
| jij / je | oversliepe |
| hij / zij / het | oversliepe |
| wij / we | oversliepen |
| jullie | oversliepen |
| zij / ze | oversliepen |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overslaap |
| jullie (archaïsch) | overslaapt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overslapen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overslapend |
Voltooid deelwoord
| — | overslapen |