Conjugation of overschrijden
/ˌoː.vərˈsxrɛi̯.də(n)/de overzijde van een grens betreden Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overschrijd |
| jij / je | overschrijdt |
| hij / zij / het | overschrijdt |
| wij / we | overschrijden |
| jullie | overschrijden |
| zij / ze | overschrijden |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overschreed |
| jij / je | overschreed |
| hij / zij / het | overschreed |
| wij / we | overschreden |
| jullie | overschreden |
| zij / ze | overschreden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overschrijde |
| jij / je | overschrijde |
| hij / zij / het | overschrijde |
| wij / we | overschrijden |
| jullie | overschrijden |
| zij / ze | overschrijden |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overschrede |
| jij / je | overschrede |
| hij / zij / het | overschrede |
| wij / we | overschreden |
| jullie | overschreden |
| zij / ze | overschreden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overschrijd |
| jullie (archaïsch) | overschrijdt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overschrijden |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overschrijdend |
Voltooid deelwoord
| — | overschreden |