Conjugation of overschouwen
/ˌoː.vərˈsxɑu̯.ə(n)/vanaf een hoogte alles kunnen zien Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overschouw |
| jij / je | overschouwt |
| hij / zij / het | overschouwt |
| wij / we | overschouwen |
| jullie | overschouwen |
| zij / ze | overschouwen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overschouwde |
| jij / je | overschouwde |
| hij / zij / het | overschouwde |
| wij / we | overschouwden |
| jullie | overschouwden |
| zij / ze | overschouwden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overschouwe |
| jij / je | overschouwe |
| hij / zij / het | overschouwe |
| wij / we | overschouwen |
| jullie | overschouwen |
| zij / ze | overschouwen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overschouwde |
| jij / je | overschouwde |
| hij / zij / het | overschouwde |
| wij / we | overschouwden |
| jullie | overschouwden |
| zij / ze | overschouwden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overschouw |
| jullie (archaïsch) | overschouwt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overschouwen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overschouwend |
Voltooid deelwoord
| — | overschouwd |