Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overschitter |
| jij / je | overschittert |
| hij / zij / het | overschittert |
| wij / we | overschitteren |
| jullie | overschitteren |
| zij / ze | overschitteren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overschitterde |
| jij / je | overschitterde |
| hij / zij / het | overschitterde |
| wij / we | overschitterden |
| jullie | overschitterden |
| zij / ze | overschitterden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overschittere |
| jij / je | overschittere |
| hij / zij / het | overschittere |
| wij / we | overschitteren |
| jullie | overschitteren |
| zij / ze | overschitteren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overschitterde |
| jij / je | overschitterde |
| hij / zij / het | overschitterde |
| wij / we | overschitterden |
| jullie | overschitterden |
| zij / ze | overschitterden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overschitter |
| jullie (archaïsch) | overschittert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overschitteren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overschitterend |
Voltooid deelwoord
| — | overschitterd |