Conjugation of overreageren
/ˌoː.vərˈreːaː.ɣeːrə(n)/naar aanleiding van een gebeurtenis, op een overmatige manier actie ondernemen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overreageer |
| jij / je | overreageert |
| hij / zij / het | overreageert |
| wij / we | overreageren |
| jullie | overreageren |
| zij / ze | overreageren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overreageerde |
| jij / je | overreageerde |
| hij / zij / het | overreageerde |
| wij / we | overreageerden |
| jullie | overreageerden |
| zij / ze | overreageerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overreagere |
| jij / je | overreagere |
| hij / zij / het | overreagere |
| wij / we | overreageren |
| jullie | overreageren |
| zij / ze | overreageren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overreageerde |
| jij / je | overreageerde |
| hij / zij / het | overreageerde |
| wij / we | overreageerden |
| jullie | overreageerden |
| zij / ze | overreageerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overreageer |
| jullie (archaïsch) | overreageert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overreageren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overreagerend |
Voltooid deelwoord
| — | overreageerd |