Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overpraat |
| jij / je | overpraat |
| hij / zij / het | overpraat |
| wij / we | overpraten |
| jullie | overpraten |
| zij / ze | overpraten |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overpraatte |
| jij / je | overpraatte |
| hij / zij / het | overpraatte |
| wij / we | overpraatten |
| jullie | overpraatten |
| zij / ze | overpraatten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overprate |
| jij / je | overprate |
| hij / zij / het | overprate |
| wij / we | overpraten |
| jullie | overpraten |
| zij / ze | overpraten |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overpraatte |
| jij / je | overpraatte |
| hij / zij / het | overpraatte |
| wij / we | overpraatten |
| jullie | overpraatten |
| zij / ze | overpraatten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overpraat |
| jullie (archaïsch) | overpraat |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overpraten |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overpratend |
Voltooid deelwoord
| — | overpraat |