Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overnoem |
| jij / je | overnoemt |
| hij / zij / het | overnoemt |
| wij / we | overnoemen |
| jullie | overnoemen |
| zij / ze | overnoemen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overnoemde |
| jij / je | overnoemde |
| hij / zij / het | overnoemde |
| wij / we | overnoemden |
| jullie | overnoemden |
| zij / ze | overnoemden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overnoeme |
| jij / je | overnoeme |
| hij / zij / het | overnoeme |
| wij / we | overnoemen |
| jullie | overnoemen |
| zij / ze | overnoemen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overnoemde |
| jij / je | overnoemde |
| hij / zij / het | overnoemde |
| wij / we | overnoemden |
| jullie | overnoemden |
| zij / ze | overnoemden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overnoem |
| jullie (archaïsch) | overnoemt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overnoemen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overnoemend |
Voltooid deelwoord
| — | overnoemd |