Conjugation of overnachten
/ˌoː.vərˈnɑx.tə(n)/ergens de nacht doorbrengen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overnacht |
| jij / je | overnacht |
| hij / zij / het | overnacht |
| wij / we | overnachten |
| jullie | overnachten |
| zij / ze | overnachten |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overnachtte |
| jij / je | overnachtte |
| hij / zij / het | overnachtte |
| wij / we | overnachtten |
| jullie | overnachtten |
| zij / ze | overnachtten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overnachte |
| jij / je | overnachte |
| hij / zij / het | overnachte |
| wij / we | overnachten |
| jullie | overnachten |
| zij / ze | overnachten |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overnachtte |
| jij / je | overnachtte |
| hij / zij / het | overnachtte |
| wij / we | overnachtten |
| jullie | overnachtten |
| zij / ze | overnachtten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overnacht |
| jullie (archaïsch) | overnacht |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overnachten |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overnachtend |
Voltooid deelwoord
| — | overnacht |