Conjugation of overmannen
/oːvərˈmɑnə(n)/met grote kracht de baas worden of blijven Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overman |
| jij / je | overmant |
| hij / zij / het | overmant |
| wij / we | overmannen |
| jullie | overmannen |
| zij / ze | overmannen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overmande |
| jij / je | overmande |
| hij / zij / het | overmande |
| wij / we | overmanden |
| jullie | overmanden |
| zij / ze | overmanden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overmanne |
| jij / je | overmanne |
| hij / zij / het | overmanne |
| wij / we | overmannen |
| jullie | overmannen |
| zij / ze | overmannen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overmande |
| jij / je | overmande |
| hij / zij / het | overmande |
| wij / we | overmanden |
| jullie | overmanden |
| zij / ze | overmanden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overman |
| jullie (archaïsch) | overmant |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overmannen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overmannend |
Voltooid deelwoord
| — | overmand |