Conjugation of overlezen
/ˈoːvərˌleːzə(n)/tijdens het lezen niet opmerken, over het hoofd zien Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overlees |
| jij / je | overleest |
| hij / zij / het | overleest |
| wij / we | overlezen |
| jullie | overlezen |
| zij / ze | overlezen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overlas |
| jij / je | overlas |
| hij / zij / het | overlas |
| wij / we | overlazen |
| jullie | overlazen |
| zij / ze | overlazen |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overleze |
| jij / je | overleze |
| hij / zij / het | overleze |
| wij / we | overlezen |
| jullie | overlezen |
| zij / ze | overlezen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overlaze |
| jij / je | overlaze |
| hij / zij / het | overlaze |
| wij / we | overlazen |
| jullie | overlazen |
| zij / ze | overlazen |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overlees |
| jullie (archaïsch) | overleest |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overlezen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overlezend |
Voltooid deelwoord
| — | overlezen |