Conjugation of overkomen
/ˈoːvə(r)koːmə(n)/aan iemand iets ~: getroffen worden door een bepaalde gebeurtenis. Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overkom |
| jij / je | overkomt |
| hij / zij / het | overkomt |
| wij / we | overkomen |
| jullie | overkomen |
| zij / ze | overkomen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overkwam |
| jij / je | overkwam |
| hij / zij / het | overkwam |
| wij / we | overkwamen |
| jullie | overkwamen |
| zij / ze | overkwamen |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overkome |
| jij / je | overkome |
| hij / zij / het | overkome |
| wij / we | overkomen |
| jullie | overkomen |
| zij / ze | overkomen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overkwame |
| jij / je | overkwame |
| hij / zij / het | overkwame |
| wij / we | overkwamen |
| jullie | overkwamen |
| zij / ze | overkwamen |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overkom |
| jullie (archaïsch) | overkomt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overkomen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overkomend |
Voltooid deelwoord
| — | overkomen |