Conjugation of overkoepelen
/ˌoː.vərˈku.pə.lə(n)/overdrachtelijk onder een grotere organisatie onderbrengen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overkoepel |
| jij / je | overkoepelt |
| hij / zij / het | overkoepelt |
| wij / we | overkoepelen |
| jullie | overkoepelen |
| zij / ze | overkoepelen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overkoepelde |
| jij / je | overkoepelde |
| hij / zij / het | overkoepelde |
| wij / we | overkoepelden |
| jullie | overkoepelden |
| zij / ze | overkoepelden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overkoepele |
| jij / je | overkoepele |
| hij / zij / het | overkoepele |
| wij / we | overkoepelen |
| jullie | overkoepelen |
| zij / ze | overkoepelen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overkoepelde |
| jij / je | overkoepelde |
| hij / zij / het | overkoepelde |
| wij / we | overkoepelden |
| jullie | overkoepelden |
| zij / ze | overkoepelden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overkoepel |
| jullie (archaïsch) | overkoepelt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overkoepelen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overkoepelend |
Voltooid deelwoord
| — | overkoepeld |