Conjugation of overhandigen
in de handen van een ander geven Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overhandig |
| jij / je | overhandigt |
| hij / zij / het | overhandigt |
| wij / we | overhandigen |
| jullie | overhandigen |
| zij / ze | overhandigen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overhandigde |
| jij / je | overhandigde |
| hij / zij / het | overhandigde |
| wij / we | overhandigden |
| jullie | overhandigden |
| zij / ze | overhandigden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overhandige |
| jij / je | overhandige |
| hij / zij / het | overhandige |
| wij / we | overhandigen |
| jullie | overhandigen |
| zij / ze | overhandigen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overhandigde |
| jij / je | overhandigde |
| hij / zij / het | overhandigde |
| wij / we | overhandigden |
| jullie | overhandigden |
| zij / ze | overhandigden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overhandig |
| jullie (archaïsch) | overhandigt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overhandigen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overhandigend |
Voltooid deelwoord
| — | overhandigd |