Conjugation of overgroeien
/ˌoː.vərˈɣrui̯ə(n)/door begroeien geheel overdekken Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overgroei |
| jij / je | overgroeit |
| hij / zij / het | overgroeit |
| wij / we | overgroeien |
| jullie | overgroeien |
| zij / ze | overgroeien |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overgroeide |
| jij / je | overgroeide |
| hij / zij / het | overgroeide |
| wij / we | overgroeiden |
| jullie | overgroeiden |
| zij / ze | overgroeiden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overgroeie |
| jij / je | overgroeie |
| hij / zij / het | overgroeie |
| wij / we | overgroeien |
| jullie | overgroeien |
| zij / ze | overgroeien |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overgroeide |
| jij / je | overgroeide |
| hij / zij / het | overgroeide |
| wij / we | overgroeiden |
| jullie | overgroeiden |
| zij / ze | overgroeiden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overgroei |
| jullie (archaïsch) | overgroeit |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overgroeien |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overgroeiend |
Voltooid deelwoord
| — | overgroeid |