Conjugation of overcompenseren
/ˌoː.vərˈkɔmˌpɛnˈzeː.rə(n)/te sterk compenseren Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overcompenseer |
| jij / je | overcompenseert |
| hij / zij / het | overcompenseert |
| wij / we | overcompenseren |
| jullie | overcompenseren |
| zij / ze | overcompenseren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overcompenseerde |
| jij / je | overcompenseerde |
| hij / zij / het | overcompenseerde |
| wij / we | overcompenseerden |
| jullie | overcompenseerden |
| zij / ze | overcompenseerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overcompensere |
| jij / je | overcompensere |
| hij / zij / het | overcompensere |
| wij / we | overcompenseren |
| jullie | overcompenseren |
| zij / ze | overcompenseren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overcompenseerde |
| jij / je | overcompenseerde |
| hij / zij / het | overcompenseerde |
| wij / we | overcompenseerden |
| jullie | overcompenseerden |
| zij / ze | overcompenseerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overcompenseer |
| jullie (archaïsch) | overcompenseert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overcompenseren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overcompenserend |
Voltooid deelwoord
| — | overcompenseerd |