Conjugation of overbruggen
/ˌoː.vərˈbrʏ.ɣə(n)/iets wat niet op elkaar aansluit met elkaar verbinden Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overbrug |
| jij / je | overbrugt |
| hij / zij / het | overbrugt |
| wij / we | overbruggen |
| jullie | overbruggen |
| zij / ze | overbruggen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overbrugde |
| jij / je | overbrugde |
| hij / zij / het | overbrugde |
| wij / we | overbrugden |
| jullie | overbrugden |
| zij / ze | overbrugden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overbrugge |
| jij / je | overbrugge |
| hij / zij / het | overbrugge |
| wij / we | overbruggen |
| jullie | overbruggen |
| zij / ze | overbruggen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overbrugde |
| jij / je | overbrugde |
| hij / zij / het | overbrugde |
| wij / we | overbrugden |
| jullie | overbrugden |
| zij / ze | overbrugden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overbrug |
| jullie (archaïsch) | overbrugt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overbruggen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overbruggend |
Voltooid deelwoord
| — | overbrugd |