Conjugation of overbieden
/ˌoː.vərˈbi.də(n)/opnieuw de bieding zijn beslag laten krijgen. Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overbied |
| jij / je | overbiedt |
| hij / zij / het | overbiedt |
| wij / we | overbieden |
| jullie | overbieden |
| zij / ze | overbieden |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overbood |
| jij / je | overbood |
| hij / zij / het | overbood |
| wij / we | overboden |
| jullie | overboden |
| zij / ze | overboden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overbiede |
| jij / je | overbiede |
| hij / zij / het | overbiede |
| wij / we | overbieden |
| jullie | overbieden |
| zij / ze | overbieden |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overbode |
| jij / je | overbode |
| hij / zij / het | overbode |
| wij / we | overboden |
| jullie | overboden |
| zij / ze | overboden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overbied |
| jullie (archaïsch) | overbiedt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overbieden |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overbiedend |
Voltooid deelwoord
| — | overboden |