Conjugation of overbelichten
/ˌoː.vər.bəˈlɪx.tən/een fotografisch medium blootstellen aan een te grote lichtintensiteit Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overbelicht |
| jij / je | overbelicht |
| hij / zij / het | overbelicht |
| wij / we | overbelichten |
| jullie | overbelichten |
| zij / ze | overbelichten |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overbelichtte |
| jij / je | overbelichtte |
| hij / zij / het | overbelichtte |
| wij / we | overbelichtten |
| jullie | overbelichtten |
| zij / ze | overbelichtten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overbelichte |
| jij / je | overbelichte |
| hij / zij / het | overbelichte |
| wij / we | overbelichten |
| jullie | overbelichten |
| zij / ze | overbelichten |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overbelichtte |
| jij / je | overbelichtte |
| hij / zij / het | overbelichtte |
| wij / we | overbelichtten |
| jullie | overbelichtten |
| zij / ze | overbelichtten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overbelicht |
| jullie (archaïsch) | overbelicht |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overbelichten |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overbelichtend |
Voltooid deelwoord
| — | overbelicht |