Conjugation of openbaren
/ˌoː.pə(n)ˈbaː.rə(n)/wat voorheen een geheim was algemeen bekend maken Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | openbaar |
| jij / je | openbaart |
| hij / zij / het | openbaart |
| wij / we | openbaren |
| jullie | openbaren |
| zij / ze | openbaren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | openbaarde |
| jij / je | openbaarde |
| hij / zij / het | openbaarde |
| wij / we | openbaarden |
| jullie | openbaarden |
| zij / ze | openbaarden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | openbare |
| jij / je | openbare |
| hij / zij / het | openbare |
| wij / we | openbaren |
| jullie | openbaren |
| zij / ze | openbaren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | openbaarde |
| jij / je | openbaarde |
| hij / zij / het | openbaarde |
| wij / we | openbaarden |
| jullie | openbaarden |
| zij / ze | openbaarden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | openbaar |
| jullie (archaïsch) | openbaart |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | openbaren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | openbarend |
Voltooid deelwoord
| — | geopenbaard |