Conjugation of ontzwachtelen
/ˌɔntˈzʋɑx.tə.lə(n)/to unbandage, to unbind bandages Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontzwachtel |
| jij / je | ontzwachtelt |
| hij / zij / het | ontzwachtelt |
| wij / we | ontzwachtelen |
| jullie | ontzwachtelen |
| zij / ze | ontzwachtelen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontzwachtelde |
| jij / je | ontzwachtelde |
| hij / zij / het | ontzwachtelde |
| wij / we | ontzwachtelden |
| jullie | ontzwachtelden |
| zij / ze | ontzwachtelden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontzwachtele |
| jij / je | ontzwachtele |
| hij / zij / het | ontzwachtele |
| wij / we | ontzwachtelen |
| jullie | ontzwachtelen |
| zij / ze | ontzwachtelen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontzwachtelde |
| jij / je | ontzwachtelde |
| hij / zij / het | ontzwachtelde |
| wij / we | ontzwachtelden |
| jullie | ontzwachtelden |
| zij / ze | ontzwachtelden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontzwachtel |
| jullie (archaïsch) | ontzwachtelt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontzwachtelen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontzwachtelend |
Voltooid deelwoord
| — | ontzwachteld |