Conjugation of ontzetten
/ˌɔntˈzɛtə(n)/van de rest doen loskomen en/of doen bezwijken/instorten Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontzet |
| jij / je | ontzet |
| hij / zij / het | ontzet |
| wij / we | ontzetten |
| jullie | ontzetten |
| zij / ze | ontzetten |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontzette |
| jij / je | ontzette |
| hij / zij / het | ontzette |
| wij / we | ontzetten |
| jullie | ontzetten |
| zij / ze | ontzetten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontzette |
| jij / je | ontzette |
| hij / zij / het | ontzette |
| wij / we | ontzetten |
| jullie | ontzetten |
| zij / ze | ontzetten |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontzette |
| jij / je | ontzette |
| hij / zij / het | ontzette |
| wij / we | ontzetten |
| jullie | ontzetten |
| zij / ze | ontzetten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontzet |
| jullie (archaïsch) | ontzet |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontzetten |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontzettend |
Voltooid deelwoord
| — | ontzet |