Conjugation of ontworstelen
/ɔntˈʋɔrs.tə.lə(n)/zich ~ aan door te worstelen zich van iets bevrijden Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontworstel |
| jij / je | ontworstelt |
| hij / zij / het | ontworstelt |
| wij / we | ontworstelen |
| jullie | ontworstelen |
| zij / ze | ontworstelen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontworstelde |
| jij / je | ontworstelde |
| hij / zij / het | ontworstelde |
| wij / we | ontworstelden |
| jullie | ontworstelden |
| zij / ze | ontworstelden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontworstele |
| jij / je | ontworstele |
| hij / zij / het | ontworstele |
| wij / we | ontworstelen |
| jullie | ontworstelen |
| zij / ze | ontworstelen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontworstelde |
| jij / je | ontworstelde |
| hij / zij / het | ontworstelde |
| wij / we | ontworstelden |
| jullie | ontworstelden |
| zij / ze | ontworstelden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontworstel |
| jullie (archaïsch) | ontworstelt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontworstelen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontworstelend |
Voltooid deelwoord
| — | ontworsteld |