Conjugation of ontwennen
/ɔntˈʋɛ.nə(n)/het lichamelijk en/of geestelijk losmaken van datgene waar men aan gewend geraakt is Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontwen |
| jij / je | ontwent |
| hij / zij / het | ontwent |
| wij / we | ontwennen |
| jullie | ontwennen |
| zij / ze | ontwennen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontwende |
| jij / je | ontwende |
| hij / zij / het | ontwende |
| wij / we | ontwenden |
| jullie | ontwenden |
| zij / ze | ontwenden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontwenne |
| jij / je | ontwenne |
| hij / zij / het | ontwenne |
| wij / we | ontwennen |
| jullie | ontwennen |
| zij / ze | ontwennen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontwende |
| jij / je | ontwende |
| hij / zij / het | ontwende |
| wij / we | ontwenden |
| jullie | ontwenden |
| zij / ze | ontwenden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontwen |
| jullie (archaïsch) | ontwent |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontwennen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontwennend |
Voltooid deelwoord
| — | ontwend |