Conjugation of ontwaken
/ˌɔntˈʋaːkə(n)/uit de slaap weer tot vol bewustzijn terugkeren Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontwaak |
| jij / je | ontwaakt |
| hij / zij / het | ontwaakt |
| wij / we | ontwaken |
| jullie | ontwaken |
| zij / ze | ontwaken |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontwaakte |
| jij / je | ontwaakte |
| hij / zij / het | ontwaakte |
| wij / we | ontwaakten |
| jullie | ontwaakten |
| zij / ze | ontwaakten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontwake |
| jij / je | ontwake |
| hij / zij / het | ontwake |
| wij / we | ontwaken |
| jullie | ontwaken |
| zij / ze | ontwaken |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontwaakte |
| jij / je | ontwaakte |
| hij / zij / het | ontwaakte |
| wij / we | ontwaakten |
| jullie | ontwaakten |
| zij / ze | ontwaakten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontwaak |
| jullie (archaïsch) | ontwaakt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontwaken |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontwakend |
Voltooid deelwoord
| — | ontwaakt |