Conjugation of onttuigen
/ˌɔntˈtœy̯.ɣə(n)/een schip ontdoen van zijn tuigage Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | onttuig |
| jij / je | onttuigt |
| hij / zij / het | onttuigt |
| wij / we | onttuigen |
| jullie | onttuigen |
| zij / ze | onttuigen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | onttuigde |
| jij / je | onttuigde |
| hij / zij / het | onttuigde |
| wij / we | onttuigden |
| jullie | onttuigden |
| zij / ze | onttuigden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | onttuige |
| jij / je | onttuige |
| hij / zij / het | onttuige |
| wij / we | onttuigen |
| jullie | onttuigen |
| zij / ze | onttuigen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | onttuigde |
| jij / je | onttuigde |
| hij / zij / het | onttuigde |
| wij / we | onttuigden |
| jullie | onttuigden |
| zij / ze | onttuigden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | onttuig |
| jullie (archaïsch) | onttuigt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | onttuigen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | onttuigend |
Voltooid deelwoord
| — | onttuigd |