Conjugation of onttrekken
/ˌɔntˈtrɛ.kə(n)/een bijdrage of deel ergens uit verwijderen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | onttrek |
| jij / je | onttrekt |
| hij / zij / het | onttrekt |
| wij / we | onttrekken |
| jullie | onttrekken |
| zij / ze | onttrekken |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | onttrok |
| jij / je | onttrok |
| hij / zij / het | onttrok |
| wij / we | onttrokken |
| jullie | onttrokken |
| zij / ze | onttrokken |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | onttrekke |
| jij / je | onttrekke |
| hij / zij / het | onttrekke |
| wij / we | onttrekken |
| jullie | onttrekken |
| zij / ze | onttrekken |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | onttrokke |
| jij / je | onttrokke |
| hij / zij / het | onttrokke |
| wij / we | onttrokken |
| jullie | onttrokken |
| zij / ze | onttrokken |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | onttrek |
| jullie (archaïsch) | onttrekt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | onttrekken |
Tegenwoordig deelwoord
| — | onttrekkend |
Voltooid deelwoord
| — | onttrokken |