Conjugation of ontsnappen
/ˌɔntˈsnɑ.pə(n)/tijdens een wedstrijd door middel van een tempoversnelling uit een peloton of groep weg fietsen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontsnap |
| jij / je | ontsnapt |
| hij / zij / het | ontsnapt |
| wij / we | ontsnappen |
| jullie | ontsnappen |
| zij / ze | ontsnappen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontsnapte |
| jij / je | ontsnapte |
| hij / zij / het | ontsnapte |
| wij / we | ontsnapten |
| jullie | ontsnapten |
| zij / ze | ontsnapten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontsnappe |
| jij / je | ontsnappe |
| hij / zij / het | ontsnappe |
| wij / we | ontsnappen |
| jullie | ontsnappen |
| zij / ze | ontsnappen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontsnapte |
| jij / je | ontsnapte |
| hij / zij / het | ontsnapte |
| wij / we | ontsnapten |
| jullie | ontsnapten |
| zij / ze | ontsnapten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontsnap |
| jullie (archaïsch) | ontsnapt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontsnappen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontsnappend |
Voltooid deelwoord
| — | ontsnapt |