Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontschijn |
| jij / je | ontschijnt |
| hij / zij / het | ontschijnt |
| wij / we | ontschijnen |
| jullie | ontschijnen |
| zij / ze | ontschijnen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontscheen |
| jij / je | ontscheen |
| hij / zij / het | ontscheen |
| wij / we | ontschenen |
| jullie | ontschenen |
| zij / ze | ontschenen |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontschijne |
| jij / je | ontschijne |
| hij / zij / het | ontschijne |
| wij / we | ontschijnen |
| jullie | ontschijnen |
| zij / ze | ontschijnen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontschene |
| jij / je | ontschene |
| hij / zij / het | ontschene |
| wij / we | ontschenen |
| jullie | ontschenen |
| zij / ze | ontschenen |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontschijn |
| jullie (archaïsch) | ontschijnt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontschijnen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontschijnend |
Voltooid deelwoord
| — | ontschenen |