Conjugation of ontmenselijken
/ɔntˈmɛn.sə.lə.kə(n)/aan menselijkheid verliezen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontmenselijk |
| jij / je | ontmenselijkt |
| hij / zij / het | ontmenselijkt |
| wij / we | ontmenselijken |
| jullie | ontmenselijken |
| zij / ze | ontmenselijken |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontmenselijkte |
| jij / je | ontmenselijkte |
| hij / zij / het | ontmenselijkte |
| wij / we | ontmenselijkten |
| jullie | ontmenselijkten |
| zij / ze | ontmenselijkten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontmenselijke |
| jij / je | ontmenselijke |
| hij / zij / het | ontmenselijke |
| wij / we | ontmenselijken |
| jullie | ontmenselijken |
| zij / ze | ontmenselijken |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontmenselijkte |
| jij / je | ontmenselijkte |
| hij / zij / het | ontmenselijkte |
| wij / we | ontmenselijkten |
| jullie | ontmenselijkten |
| zij / ze | ontmenselijkten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontmenselijk |
| jullie (archaïsch) | ontmenselijkt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontmenselijken |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontmenselijkend |
Voltooid deelwoord
| — | ontmenselijkt |