HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← ontleren — definition

Conjugation of ontleren

Regular CEFR B2
ɔntˈleːrə(n)

gewoontes en kennis die fout, ongewenst of niet meer ter zake zijn niet meer gebruiken of toepassen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik ontleer
jij / je ontleert
hij / zij / het ontleert
wij / we ontleren
jullie ontleren
zij / ze ontleren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik ontleerde
jij / je ontleerde
hij / zij / het ontleerde
wij / we ontleerden
jullie ontleerden
zij / ze ontleerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik ontlere
jij / je ontlere
hij / zij / het ontlere
wij / we ontleren
jullie ontleren
zij / ze ontleren
Aanvoegende wijs — verleden
ik ontleerde
jij / je ontleerde
hij / zij / het ontleerde
wij / we ontleerden
jullie ontleerden
zij / ze ontleerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij ontleer
jullie (archaïsch) ontleert

Onbepaalde vormen

Infinitief
ontleren
Tegenwoordig deelwoord
ontlerend
Voltooid deelwoord
ontleerd

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary