Conjugation of ontleren
/ɔntˈleːrə(n)/gewoontes en kennis die fout, ongewenst of niet meer ter zake zijn niet meer gebruiken of toepassen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontleer |
| jij / je | ontleert |
| hij / zij / het | ontleert |
| wij / we | ontleren |
| jullie | ontleren |
| zij / ze | ontleren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontleerde |
| jij / je | ontleerde |
| hij / zij / het | ontleerde |
| wij / we | ontleerden |
| jullie | ontleerden |
| zij / ze | ontleerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontlere |
| jij / je | ontlere |
| hij / zij / het | ontlere |
| wij / we | ontleren |
| jullie | ontleren |
| zij / ze | ontleren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontleerde |
| jij / je | ontleerde |
| hij / zij / het | ontleerde |
| wij / we | ontleerden |
| jullie | ontleerden |
| zij / ze | ontleerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontleer |
| jullie (archaïsch) | ontleert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontleren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontlerend |
Voltooid deelwoord
| — | ontleerd |