Conjugation of ontknopen
/ˌɔntˈknoː.pə(n)/iets wat in de knoop zit uit de knoop halen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontknoop |
| jij / je | ontknoopt |
| hij / zij / het | ontknoopt |
| wij / we | ontknopen |
| jullie | ontknopen |
| zij / ze | ontknopen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontknoopte |
| jij / je | ontknoopte |
| hij / zij / het | ontknoopte |
| wij / we | ontknoopten |
| jullie | ontknoopten |
| zij / ze | ontknoopten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontknope |
| jij / je | ontknope |
| hij / zij / het | ontknope |
| wij / we | ontknopen |
| jullie | ontknopen |
| zij / ze | ontknopen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontknoopte |
| jij / je | ontknoopte |
| hij / zij / het | ontknoopte |
| wij / we | ontknoopten |
| jullie | ontknoopten |
| zij / ze | ontknoopten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontknoop |
| jullie (archaïsch) | ontknoopt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontknopen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontknopend |
Voltooid deelwoord
| — | ontknoopt |