HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← ontkleden — definition

Conjugation of ontkleden

Regular CEFR B2
ˌɔntˈkleː.də(n)

:iemand ~: iemands kleding afdoen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik ontkleed
jij / je ontkleedt
hij / zij / het ontkleedt
wij / we ontkleeden
jullie ontkleeden
zij / ze ontkleeden
Verleden tijd (o.v.t.)
ik ontkleedde
jij / je ontkleedde
hij / zij / het ontkleedde
wij / we ontkleedden
jullie ontkleedden
zij / ze ontkleedden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik ontkleede
jij / je ontkleede
hij / zij / het ontkleede
wij / we ontkleeden
jullie ontkleeden
zij / ze ontkleeden
Aanvoegende wijs — verleden
ik ontkleedde
jij / je ontkleedde
hij / zij / het ontkleedde
wij / we ontkleedden
jullie ontkleedden
zij / ze ontkleedden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij ontkleed
jullie (archaïsch) ontkleedt

Onbepaalde vormen

Infinitief
ontkleeden
Tegenwoordig deelwoord
ontkleedend
Voltooid deelwoord
ontkleed

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary