Conjugation of onthoofden
/ˌɔntˈɦoːf.də(n)/iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | onthoofd |
| jij / je | onthoofdt |
| hij / zij / het | onthoofdt |
| wij / we | onthoofden |
| jullie | onthoofden |
| zij / ze | onthoofden |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | onthoofdde |
| jij / je | onthoofdde |
| hij / zij / het | onthoofdde |
| wij / we | onthoofdden |
| jullie | onthoofdden |
| zij / ze | onthoofdden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | onthoofde |
| jij / je | onthoofde |
| hij / zij / het | onthoofde |
| wij / we | onthoofden |
| jullie | onthoofden |
| zij / ze | onthoofden |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | onthoofdde |
| jij / je | onthoofdde |
| hij / zij / het | onthoofdde |
| wij / we | onthoofdden |
| jullie | onthoofdden |
| zij / ze | onthoofdden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | onthoofd |
| jullie (archaïsch) | onthoofdt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | onthoofden |
Tegenwoordig deelwoord
| — | onthoofdend |
Voltooid deelwoord
| — | onthoofd |