Conjugation of ontharden
/ɔntˈɦɑrdə(n)/natuurbeheer (van bebouwd gebied:) het vervangen van verharde oppervlakte (tegeltuinen, brede wegverharding, ingekokerde waterafvoerbuizen...) door natuur en andere plantengroei, smallere wegen, halfv Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | onthard |
| jij / je | onthardt |
| hij / zij / het | onthardt |
| wij / we | ontharden |
| jullie | ontharden |
| zij / ze | ontharden |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | onthardde |
| jij / je | onthardde |
| hij / zij / het | onthardde |
| wij / we | onthardden |
| jullie | onthardden |
| zij / ze | onthardden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontharde |
| jij / je | ontharde |
| hij / zij / het | ontharde |
| wij / we | ontharden |
| jullie | ontharden |
| zij / ze | ontharden |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | onthardde |
| jij / je | onthardde |
| hij / zij / het | onthardde |
| wij / we | onthardden |
| jullie | onthardden |
| zij / ze | onthardden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | onthard |
| jullie (archaïsch) | onthardt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontharden |
Tegenwoordig deelwoord
| — | onthardend |
Voltooid deelwoord
| — | onthard |