Conjugation of ontgroenen
/ˌɔntˈɣru.nə(n)/een zich aandienend nieuw lid onderwerpen aan een serie, vaak vernederende, behandelingen als initiatie in de groep Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontgroen |
| jij / je | ontgroent |
| hij / zij / het | ontgroent |
| wij / we | ontgroenen |
| jullie | ontgroenen |
| zij / ze | ontgroenen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontgroende |
| jij / je | ontgroende |
| hij / zij / het | ontgroende |
| wij / we | ontgroenden |
| jullie | ontgroenden |
| zij / ze | ontgroenden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontgroene |
| jij / je | ontgroene |
| hij / zij / het | ontgroene |
| wij / we | ontgroenen |
| jullie | ontgroenen |
| zij / ze | ontgroenen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontgroende |
| jij / je | ontgroende |
| hij / zij / het | ontgroende |
| wij / we | ontgroenden |
| jullie | ontgroenden |
| zij / ze | ontgroenden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontgroen |
| jullie (archaïsch) | ontgroent |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontgroenen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontgroenend |
Voltooid deelwoord
| — | ontgroend |