Conjugation of ontgroeien
/ˌɔntˈɣrui̯ə(n)/door ontwikkelen ergens niet meer voor iets geschikt zijn Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontgroei |
| jij / je | ontgroeit |
| hij / zij / het | ontgroeit |
| wij / we | ontgroeien |
| jullie | ontgroeien |
| zij / ze | ontgroeien |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontgroeide |
| jij / je | ontgroeide |
| hij / zij / het | ontgroeide |
| wij / we | ontgroeiden |
| jullie | ontgroeiden |
| zij / ze | ontgroeiden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontgroeie |
| jij / je | ontgroeie |
| hij / zij / het | ontgroeie |
| wij / we | ontgroeien |
| jullie | ontgroeien |
| zij / ze | ontgroeien |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontgroeide |
| jij / je | ontgroeide |
| hij / zij / het | ontgroeide |
| wij / we | ontgroeiden |
| jullie | ontgroeiden |
| zij / ze | ontgroeiden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontgroei |
| jullie (archaïsch) | ontgroeit |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontgroeien |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontgroeiend |
Voltooid deelwoord
| — | ontgroeid |