Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontaard |
| jij / je | ontaardt |
| hij / zij / het | ontaardt |
| wij / we | ontaarden |
| jullie | ontaarden |
| zij / ze | ontaarden |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontaardde |
| jij / je | ontaardde |
| hij / zij / het | ontaardde |
| wij / we | ontaardden |
| jullie | ontaardden |
| zij / ze | ontaardden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontaarde |
| jij / je | ontaarde |
| hij / zij / het | ontaarde |
| wij / we | ontaarden |
| jullie | ontaarden |
| zij / ze | ontaarden |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontaardde |
| jij / je | ontaardde |
| hij / zij / het | ontaardde |
| wij / we | ontaardden |
| jullie | ontaardden |
| zij / ze | ontaardden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontaard |
| jullie (archaïsch) | ontaardt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontaarden |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontaardend |
Voltooid deelwoord
| — | ontaard |