Conjugation of ondertrouwen
/ˌɔn.dərˈtrɑu̯.ə(n)/zich vastleggen om te gaan trouwen, zich verloven Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ondertrouw |
| jij / je | ondertrouwt |
| hij / zij / het | ondertrouwt |
| wij / we | ondertrouwen |
| jullie | ondertrouwen |
| zij / ze | ondertrouwen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ondertrouwde |
| jij / je | ondertrouwde |
| hij / zij / het | ondertrouwde |
| wij / we | ondertrouwden |
| jullie | ondertrouwden |
| zij / ze | ondertrouwden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ondertrouwe |
| jij / je | ondertrouwe |
| hij / zij / het | ondertrouwe |
| wij / we | ondertrouwen |
| jullie | ondertrouwen |
| zij / ze | ondertrouwen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ondertrouwde |
| jij / je | ondertrouwde |
| hij / zij / het | ondertrouwde |
| wij / we | ondertrouwden |
| jullie | ondertrouwden |
| zij / ze | ondertrouwden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ondertrouw |
| jullie (archaïsch) | ondertrouwt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ondertrouwen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ondertrouwend |
Voltooid deelwoord
| — | ondertrouwd |