Conjugation of onderdoen
/ˌɔn.dərˈdun/overweldigd worden, zich onderwerpen, de minste zijn, zwichten Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | onderdoe |
| jij / je | onderdoet |
| hij / zij / het | onderdoet |
| wij / we | onderdoen |
| jullie | onderdoen |
| zij / ze | onderdoen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | onderdeed |
| jij / je | onderdeed |
| hij / zij / het | onderdeed |
| wij / we | onderdeden |
| jullie | onderdeden |
| zij / ze | onderdeden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | onderdoe |
| jij / je | onderdoe |
| hij / zij / het | onderdoe |
| wij / we | onderdoen |
| jullie | onderdoen |
| zij / ze | onderdoen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | onderdede |
| jij / je | onderdede |
| hij / zij / het | onderdede |
| wij / we | onderdeden |
| jullie | onderdeden |
| zij / ze | onderdeden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | onderdoe |
| jullie (archaïsch) | onderdoet |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | onderdoen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | onderdoend |
Voltooid deelwoord
| — | onderdaan |