HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← oefenen — definition

Conjugation of oefenen

Regular CEFR B1
ˈufənə(n)

proberen zonder fouten uit te voeren, leren door te doen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik oefen
jij / je oefent
hij / zij / het oefent
wij / we oefenen
jullie oefenen
zij / ze oefenen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik oefende
jij / je oefende
hij / zij / het oefende
wij / we oefenden
jullie oefenden
zij / ze oefenden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik oefene
jij / je oefene
hij / zij / het oefene
wij / we oefenen
jullie oefenen
zij / ze oefenen
Aanvoegende wijs — verleden
ik oefende
jij / je oefende
hij / zij / het oefende
wij / we oefenden
jullie oefenden
zij / ze oefenden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij oefen
jullie (archaïsch) oefent

Onbepaalde vormen

Infinitief
oefenen
Tegenwoordig deelwoord
oefenend
Voltooid deelwoord
geoefend

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary