HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← nagelen — definición

Conjugation of nagelen

Regular CEFR C2
/ˈnaː.ɣə.lə(n)/

met spijkers vastslaan Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik nagel
jij / je nagelt
hij / zij / het nagelt
wij / we nagelen
jullie nagelen
zij / ze nagelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik nagelde
jij / je nagelde
hij / zij / het nagelde
wij / we nagelden
jullie nagelden
zij / ze nagelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik nagele
jij / je nagele
hij / zij / het nagele
wij / we nagelen
jullie nagelen
zij / ze nagelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik nagelde
jij / je nagelde
hij / zij / het nagelde
wij / we nagelden
jullie nagelden
zij / ze nagelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij nagel
jullie (archaïsch) nagelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
nagelen
Tegenwoordig deelwoord
nagelend
Voltooid deelwoord
genageld

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary