Conjugation of moduleren
het moduleren van een analoog signaal op een draaggolf met veel hogere frequentie teneinde het resultaat meer geschikt te maken voor de transmissieweg Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | moduleer |
| jij / je | moduleert |
| hij / zij / het | moduleert |
| wij / we | moduleren |
| jullie | moduleren |
| zij / ze | moduleren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | moduleerde |
| jij / je | moduleerde |
| hij / zij / het | moduleerde |
| wij / we | moduleerden |
| jullie | moduleerden |
| zij / ze | moduleerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | modulere |
| jij / je | modulere |
| hij / zij / het | modulere |
| wij / we | moduleren |
| jullie | moduleren |
| zij / ze | moduleren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | moduleerde |
| jij / je | moduleerde |
| hij / zij / het | moduleerde |
| wij / we | moduleerden |
| jullie | moduleerden |
| zij / ze | moduleerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | moduleer |
| jullie (archaïsch) | moduleert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | moduleren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | modulerend |
Voltooid deelwoord
| — | gemoduleerd |