Conjugation of misbruiken
ˌmɪsˈbrœy̯.kə(n)op laakbare wijze van iets (macht, naamgeving, positie, e.d.) gebruik maken voor een doel waarvoor het niet bedoeld is Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | misbruik |
| jij / je | misbruikt |
| hij / zij / het | misbruikt |
| wij / we | misbruiken |
| jullie | misbruiken |
| zij / ze | misbruiken |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | misbruikte |
| jij / je | misbruikte |
| hij / zij / het | misbruikte |
| wij / we | misbruikten |
| jullie | misbruikten |
| zij / ze | misbruikten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | misbruike |
| jij / je | misbruike |
| hij / zij / het | misbruike |
| wij / we | misbruiken |
| jullie | misbruiken |
| zij / ze | misbruiken |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | misbruikte |
| jij / je | misbruikte |
| hij / zij / het | misbruikte |
| wij / we | misbruikten |
| jullie | misbruikten |
| zij / ze | misbruikten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | misbruik |
| jullie (archaïsch) | misbruikt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | misbruiken |
Tegenwoordig deelwoord
| — | misbruikend |
Voltooid deelwoord
| — | misbruikt |