HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← marcheren — definition

Conjugation of marcheren

Regular CEFR C2

ergens heen lopen in een georganiseerde en uniforme ritmische stoet Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik marcheer
jij / je marcheert
hij / zij / het marcheert
wij / we marcheren
jullie marcheren
zij / ze marcheren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik marcheerde
jij / je marcheerde
hij / zij / het marcheerde
wij / we marcheerden
jullie marcheerden
zij / ze marcheerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik marchere
jij / je marchere
hij / zij / het marchere
wij / we marcheren
jullie marcheren
zij / ze marcheren
Aanvoegende wijs — verleden
ik marcheerde
jij / je marcheerde
hij / zij / het marcheerde
wij / we marcheerden
jullie marcheerden
zij / ze marcheerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij marcheer
jullie (archaïsch) marcheert

Onbepaalde vormen

Infinitief
marcheren
Tegenwoordig deelwoord
marcherend
Voltooid deelwoord
gemarcheerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary